De Belgische bouwsector staat onder toenemend toezicht van inspectiediensten. De verplichte aanwezigheidsregistratie via Checkinatwork (CIAW) is al jaren een vaste waarde op tijdelijke en mobiele bouwplaatsen, maar de handhaving ervan is aanzienlijk aangescherpt. Voor hoofdaannemers en projectontwikkelaars betekent dit dat administratieve fouten of vertragingen in de registratieketen direct kunnen leiden tot zware sancties en financiële aansprakelijkheid.
Wat houdt de verplichting precies in?
Iedereen die werken in onroerende staat uitvoert op een bouwplaats waarvan de totale kostprijs (exclusief btw) gelijk is aan of hoger is dan € 500.000, moet voor het betreden van de werf geregistreerd zijn in het Checkinatwork-systeem van de RSZ. Deze drempel van € 500.000 geldt specifiek voor de aanwezigheidsregistratie zelf.
Daarnaast bestaat er een afzonderlijke, lagere drempel voor de aangifte van werken (artikel 30bis):
- Verplicht vanaf € 30.000 zonder onderaannemer;
- Vanaf € 5.000 zodra er één onderaannemer betrokken is;
- Zonder drempel wanneer er twee of meer onderaannemers samenwerken.
Een werf is pas Checkinatwork-plichtig wanneer ze via deze 30bis-aangifte is aangemeld en de totale werfwaarde de grens van € 500.000 bereikt.
De registratieplicht geldt zonder uitzondering voor:
- Vaste werknemers (PC 124)
- Uitzendkrachten
- Zelfstandige onderaannemers (zowel nationaal als internationaal)
- Gedetacheerde werknemers (inclusief geldige Limosa-melding)
De registratie moet real-time gebeuren: voor de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden op die specifieke werkdag. Achteraf registreren is wettelijk niet toegestaan en wordt bij inspecties gelijkgesteld aan niet-registratie.
Wat verandert er vanaf 1 april 2027?
Met de programmawet van 30 mei 2026 wordt het huidige Checkinatwork-systeem uitgebreid tot Check in and out at work (CIaO): naast een IN-registratie bij aankomst wordt ook een OUT-registratie bij vertrek verplicht.
Vanaf 1 april 2027 is het niet langer mogelijk om de aanwezigheid voor werken in onroerende staat via het huidige Checkinatwork te registreren. Wie op dat moment nog met een IN-only-oplossing werkt, moet zijn systemen en interne processen tijdig laten meegroeien met de nieuwe IN/OUT-verplichting.
Voor hoofdaannemers en projectontwikkelaars die nu investeren in digitale toegangscontrole op de werf, is het dan ook aan te raden meteen te kiezen voor een systeem dat beide registratiemomenten ondersteunt.
Gekoppelde controles: Limosa, A1 en de basisveiligheidsopleiding
Inspectiediensten (zoals Toezicht Welzijn op het Werk en de RSZ-inspectie) voeren steeds vaker gecoördineerde, digitale controles uit. Het Checkinatwork-systeem fungeert hierbij als centrale spil.
Tijdens een controle wordt de CIAW-data afgetoetst aan:
- Het Limosa-meldingsnummer (L1): voor buitenlandse gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. Een ontbrekende of foutieve koppeling tussen Limosa en Checkinatwork trekt meteen de aandacht van de inspectie en kan aanleiding geven tot verder onderzoek naar schijnzelfstandigheid of illegale tewerkstelling — al gaat het hier niet om een automatisch juridisch vermoeden, maar om een concreet aanknopingspunt voor bijkomende controle.
- De geldigheid van de A1-verklaring: het bewijs van aansluiting bij het buitenlandse socialezekerheidsstelsel.
- De verplichte basisveiligheidsopleiding (Constructiv): de controle op het vereiste veiligheidscertificaat van 8 uur voor alle actieve krachten op de werf.
Ketenaansprakelijkheid: het risico voor hoofdaannemer én opdrachtgever
De wetgeving rond hoofdelijke aansprakelijkheid (ketenaansprakelijkheid) legt de verantwoordelijkheid niet enkel bij de directe werkgever, maar doorkruist de volledige aannemingsketen. Sinds de programmawet van 30 mei 2026 is deze aansprakelijkheid bovendien uitgebreid tot de opdrachtgever/bouwheer zelf, die voorheen enkel voor zijn rechtstreekse hoofdaannemer kon worden aangesproken.
Wanneer een (onder)aannemer sociale of fiscale schulden heeft op het moment van factuurbetaling, moet de opdrachtgever of hoofdaannemer hierop inhouden en doorstorten:
- 35% van het factuurbedrag (excl. btw) bij sociale schulden, door te storten aan de RSZ;
- 15% van het factuurbedrag (excl. btw) bij fiscale schulden, door te storten aan de FOD Financiën.
Gebeurt deze inhouding niet of niet correct, dan kan de opdrachtgever of hoofdaannemer hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de achterstallige schulden van de (onder)aannemer, begrensd tot de prijs van de betrokken werken.
Daarnaast blijft een niet-naleving van de registratieplicht op zich een inbreuk volgens het Sociaal Strafwetboek, bestraft met een administratieve geldboete (niveau 1). Zwaardere inbreuken die tijdens dezelfde controle aan het licht komen — zoals belemmering van het toezicht, illegale tewerkstelling of opzettelijke fraude — kunnen wel tot de zwaarste sanctieniveaus (niveau 3 en 4) leiden, met strafrechtelijke boetes en zelfs bedrijfssluiting of exploitatieverbod als mogelijk gevolg. Bij ernstig gevaar voor de veiligheid van de werknemers kan de inspectie de werken bovendien onmiddellijk stilleggen.
Best practices voor een waterdicht werfbeheer
Om sancties te vermijden en de continuïteit van het bouwproject te waarborgen, hanteren professionele aannemers een proactief verificatiebeleid:
- Automatisering van de toegang: digitale werftoegangssystemen (geconnecteerde draaikruizen met Construbadge-, eID- of QR-codelezers) die rechtstreeks communiceren met de RSZ-databank — bij voorkeur al voorbereid op de IN/OUT-verplichting vanaf 2027.
- Strikte pre-boarding: verificatie van alle documenten (Limosa, paspoort, A1, basisveiligheidsattest) minimaal 48 uur voor de effectieve start op de werf.
- Betrouwbare personeelspartners: samenwerken met erkende uitzend- en detacheringspartners die garant staan voor een sluitende dagelijkse registratie en volledige compliance binnen PC 124.


