Werken op hoogte waaronder montagewerken, dakwerken, gevelwerken en onderhoudstaken behoren tot de activiteiten met een verhoogd risico op Belgische bouw- en industriële werven.
De Belgische Codex over het welzijn op het werk legt werkgevers en aannemers belangrijke verplichtingen op om valrisico’s te voorkomen. Daarbij moet in de eerste plaats worden ingezet op collectieve beschermingsmaatregelen. Individuele beschermingsmiddelen worden toegepast wanneer collectieve maatregelen technisch niet mogelijk zijn, onvoldoende bescherming bieden of niet verantwoord zijn voor de specifieke werkzaamheden.
Hieronder vindt u een overzicht van de belangrijkste wettelijke voorschriften, normen, uitrustingsvereisten, procedures en verantwoordelijkheden bij het organiseren van werken op hoogte in België.
1. Hiërarchie van beschermingsmaatregelen: collectief versus individueel
In overeenstemming met de Belgische welzijnsregelgeving moeten risico’s bij werkzaamheden op hoogte eerst zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. Collectieve beschermingsmiddelen (CBM) hebben voorrang op persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) wanneer zij een gelijkwaardige of betere bescherming bieden.
Bij werkzaamheden op hoogte moet daarom eerst worden onderzocht of het risico kan worden weggenomen of beveiligd door bijvoorbeeld permanente of tijdelijke borstweringen, leuningen, steigers, werkplatformen of andere collectieve maatregelen. Wanneer dergelijke maatregelen technisch niet mogelijk of onvoldoende doeltreffend zijn, kunnen persoonlijke valbeveiligingssystemen worden ingezet.
- Leuningen en borstweringen: Wanneer collectieve valbeveiliging wordt toegepast, moeten deze voldoende bescherming bieden tegen vallen. Bij tijdelijke werkzaamheden op hoogte voorziet de Belgische regelgeving onder meer in een bovenregel op een hoogte van 1,0 tot 1,2 m, een tussenregel en een kantlijst van minstens 15 cm, overeenkomstig de toepasselijke voorschriften.
- Opvangnetten (EN 1263-1): Kunnen als collectieve valbeveiliging worden toegepast, onder meer bij dakwerken en montagewerken. De keuze, plaatsing en bevestiging moeten gebeuren volgens de toepasselijke regelgeving, de voorschriften van de fabrikant en de risicoanalyse.
- Steigers: Steigers moeten vóór gebruik, na belangrijke wijzigingen, na periodes waarin de stabiliteit kan zijn aangetast en op de wettelijk bepaalde momenten worden gecontroleerd door een daartoe bevoegde persoon. De steiger moet veilig zijn opgebouwd, stabiel zijn en binnen de toegestane belasting worden gebruikt. Een Scafftag of vergelijkbare vrijgavekaart kan als praktisch controlesysteem worden gebruikt, maar is niet als algemene wettelijke verplichting voor iedere Belgische steiger voorgeschreven.
2. Valbeveiligingssystemen (Fall Arrest Systems)
Wanneer het gebruik van individuele valbeveiliging noodzakelijk is, moet een volledig en onderling compatibel systeem worden gebruikt dat geschikt is voor de specifieke werkzaamheden, de mogelijke valafstand en de beschikbare vrije ruimte.
- Veiligheidsharnas (EN 361): Bij gebruik van een persoonlijk valbeveiligingssysteem moet een geschikt harnasgordel worden gebruikt. Een veiligheidsgordel of zitgordel is niet geschikt als valbeveiligingssysteem. De gebruikte bevestigingspunten moeten geschikt zijn voor de gekozen toepassing en overeenkomstig de instructies van de fabrikant worden gebruikt.
- Verbindingselementen en energie-absorbers (EN 354 / EN 355): Afhankelijk van de toepassing kan een vallijn met energie-absorber worden gebruikt. Een dubbele vallijn, bijvoorbeeld een Y-vormige lijn, kan noodzakelijk zijn wanneer werknemers zich al klimmend of verplaatsend moeten verankeren en daarbij continu beveiligd moeten blijven. Een dubbele vallijn is echter niet in elke situatie verplicht. De keuze van het systeem moet worden bepaald door de risicoanalyse en de gebruiksvoorschriften van de fabrikant.
- Valbeveiligingsblokken met automatische lijnspanner (EN 360): Kunnen worden toegepast wanneer de omstandigheden dit vereisen, bijvoorbeeld bij bepaalde werkzaamheden op hoogte of wanneer een beperkte valafstand beschikbaar is. Hierbij moet steeds rekening worden gehouden met de vereiste vrije valruimte en de technische specificaties van het gebruikte systeem.
Bij elk valbeveiligingssysteem moet worden nagegaan of de verschillende componenten onderling compatibel zijn en of het systeem geschikt is voor de betreffende toepassing.
3. Verankeringspunten en verankeringssystemen
Een valbeveiligingssysteem is slechts doeltreffend wanneer het correct aan een geschikt verankeringspunt of verankeringssysteem wordt bevestigd.
Het vasthaken van een harnas aan een niet daarvoor ontworpen of gecontroleerd structuurelement, zoals een leiding, kabelgoot of ander willekeurig constructieonderdeel, is niet aanvaardbaar.
- EN 795: Deze norm vormt een belangrijke technische referentie voor verankeringsvoorzieningen. Afhankelijk van het type systeem worden onder meer permanente of tijdelijke verankeringsvoorzieningen en horizontale verankeringssystemen onderscheiden:
- Type A: Verankeringsvoorzieningen voor bevestiging aan structurele elementen.
- Type B: Tijdelijk verplaatsbare verankeringsvoorzieningen, bijvoorbeeld bepaalde textiele verankeringsmiddelen.
- Type C: Flexibele horizontale verankeringslijnen.
- Type D: Starre horizontale verankeringsrails.
- Type E: Verankeringsvoorzieningen die gebruikmaken van een doodgewichtssysteem.
Belangrijk: EN 795 mag niet zonder meer worden voorgesteld als een algemene wettelijke certificeringsplicht voor ieder verankeringspunt in België. De geschiktheid en veiligheid van het verankeringssysteem moeten worden beoordeeld op basis van de toepasselijke regelgeving, technische specificaties, de constructie waaraan het systeem wordt bevestigd, de fabrikantvoorschriften en de risicoanalyse.
4. Vereiste opleidingen, competenties en keuring van uitrusting
Het ter beschikking stellen van valbeveiligingsmiddelen volstaat niet. Werknemers moeten voldoende worden geïnformeerd, geïnstrueerd en, waar nodig, opgeleid om de middelen correct en veilig te gebruiken.
- VCA-certificaten en veiligheidstraining: B-VCA en VOL-VCA zijn geen algemene wettelijke certificeringsvereisten voor iedere werknemer die op hoogte werkt. Ze kunnen echter wel door opdrachtgevers, bedrijven of contractuele voorwaarden worden opgelegd. Voor specifieke risicovolle taken kunnen aanvullende opleidingen of kwalificaties vereist zijn.
- Opleiding werken op hoogte: Werknemers die persoonlijke valbeveiligingsmiddelen gebruiken, moeten beschikken over voldoende kennis en praktische vaardigheden voor het veilige gebruik, de controle en de beperkingen van de gebruikte uitrusting. Een specifieke opleiding of attest kan bovendien door de werkgever, opdrachtgever of veiligheidscoördinator worden vereist.
- Hoogwerkers: Voor het bedienen van zelfrijdende hoogwerkers kunnen specifieke opleidingen en attesten vereist worden. IS-005 is een binnen het VCA-systeem erkende opleiding voor het bedienen van zelfrijdende hoogwerkers, maar moet worden onderscheiden van een algemene wettelijke verplichting die voor iedere hoogwerkerbediener zou gelden.
- Controle van PBM: Valbeveiligingsmiddelen moeten vóór gebruik worden gecontroleerd op onder meer beschadigingen, slijtage, vervormingen, vervuiling en andere gebreken. Daarnaast moeten de toepasselijke periodieke onderzoeken worden uitgevoerd.
- Periodiek onderzoek: Voor niet-permanent bevestigde persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen voorziet de Belgische Codex in een onderzoek minstens om de twaalf maanden door een erkende dienst voor technische controles (EDTC). De resultaten van deze onderzoeken moeten traceerbaar worden bijgehouden.
- Na een val: Een valbeveiligingssysteem dat een val heeft opgevangen, moet onmiddellijk buiten gebruik worden gesteld en overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant worden onderzocht. Het mag pas opnieuw worden gebruikt wanneer is vastgesteld dat het nog veilig en geschikt is.
Een specifieke keuringssticker kan in de praktijk worden gebruikt voor identificatie en opvolging, maar de wettelijke verplichting draait om de correcte controle, het periodieke onderzoek en de traceerbaarheid ervan.
5. Specifieke risico's: weersomstandigheden en kwetsbare oppervlakken
Weersomstandigheden kunnen het risico bij werkzaamheden op hoogte aanzienlijk verhogen. Wind, regen, sneeuw, ijs, beperkte zichtbaarheid en andere ongunstige omstandigheden moeten daarom steeds worden meegenomen in de risicoanalyse.
- Weersinvloeden: Werkzaamheden op daken, steigers en met hoogwerkers moeten worden aangepast of stopgezet wanneer de weersomstandigheden een risico vormen voor de veiligheid van werknemers. Er bestaat geen algemene Belgische wettelijke regel die alle werkzaamheden vanaf exact 6 Bft of 45–50 km/u verplicht stillegt. De toegestane omstandigheden moeten onder meer worden bepaald aan de hand van de risicoanalyse, de gebruikte arbeidsmiddelen en de voorschriften van de fabrikant.
- Breekbare daken: Werken op of in de nabijheid van breekbare dakbedekkingen, zoals bepaalde vezelcementplaten en lichtstraten, vereisen bijzondere preventiemaatregelen. Afhankelijk van de situatie kunnen onder meer geschikte loopplanken, werkplatformen, collectieve valbeveiliging, afschermingen of andere maatregelen noodzakelijk zijn. Lichtstraten en andere kwetsbare oppervlakken mogen niet worden beschouwd als veilige loopvlakken.
6. Reddingsprocedures en juridische aansprakelijkheid
Een valbeveiligingssysteem is pas volledig wanneer ook rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van een ongeval en een snelle redding.
Voor werkzaamheden waarbij een val kan worden opgevangen door een harnas, moet vooraf worden nagedacht over een geschikte reddingsprocedure. De redding moet afgestemd zijn op de werkomgeving, de gebruikte valbeveiliging, de bereikbaarheid van de werknemer en de beschikbare reddingsmiddelen.
Een algemene wettelijke grens van 15 minuten voor het hangen in een harnas mag niet als Belgische wettelijke regel worden voorgesteld. Wel moet een slachtoffer na een val zo snel als praktisch mogelijk worden gered. Langdurig vrij hangen in een harnas kan immers ernstige gezondheidsrisico’s veroorzaken. Daarom is het belangrijk dat werknemers weten welke procedure moet worden gevolgd, dat het nodige reddingsmateriaal beschikbaar is en dat de betrokken personen weten hoe ze moeten handelen in geval van een val.
Inbreuken op de welzijnsregelgeving kunnen aanleiding geven tot maatregelen door Toezicht op het Welzijn op het Werk (TWW). Afhankelijk van de aard en ernst van de vastgestelde tekortkomingen kunnen onder meer bevelen, maatregelen tot stopzetting van bepaalde werkzaamheden en administratieve of strafrechtelijke sancties volgen. De concrete gevolgen zijn afhankelijk van de vastgestelde overtreding en de omstandigheden.
Conclusie:
Een goed georganiseerd systeem voor werken op hoogte begint daarom niet bij het harnas, maar bij het voorkomen van de val. Collectieve bescherming, een correcte risicoanalyse, geschikte arbeidsmiddelen, opgeleide werknemers, gecontroleerde valbeveiliging en een doordachte reddingsprocedure vormen samen de basis voor veilig werken op hoogte.


